Home » Stress » Altijd ‘aan’: wat langdurige stress met het lichaam doet

Altijd ‘aan’: wat langdurige stress met het lichaam doet

Je weet dat er op dit moment geen gevaar is. Toch blijft je lichaam gespannen. Ontspannen lukt moeilijk, je ademhaling blijft oppervlakkig en zelfs op de bank voelt het alsof je lichaam nog steeds paraat staat. Mensen omschrijven dit soms als een zenuwstelsel dat ‘altijd aan’ staat. Wat weten we daar werkelijk over? En waarom krijgen binnen lichaamsgerichte therapie ademhaling, spierspanning, fascia en soms heel specifiek de psoas aandacht?

Als het lichaam zich voorbereidt op gevaar

Fight-or-flight – vechten of vluchten – is onderdeel van de normale menselijke stressrespons. Wanneer een situatie als bedreigend wordt beoordeeld, worden verschillende fysiologische systemen geactiveerd die het lichaam voorbereiden om te reageren.

Hartslag en ademhaling kunnen veranderen, de alertheid neemt toe en spieren bereiden zich voor op actie. Op korte termijn is dat geen probleem. Het is een belangrijk beschermingsmechanisme.

Bij langdurige of steeds terugkerende stress wordt het ingewikkelder. Onderzoek naar chronische stress laat zien dat langdurige belasting invloed kan hebben op verschillende systemen die betrokken zijn bij stressregulatie. Daarbij wordt onder meer gesproken over allostatic load: de fysiologische belasting die kan ontstaan wanneer aanpassingssystemen herhaaldelijk of langdurig worden aangesproken.

Een ‘overbelast zenuwstelsel’ is overigens geen afzonderlijke medische diagnose. Het is vooral een begrijpelijke omschrijving voor ervaringen als voortdurend alert zijn, moeilijk kunnen ontspannen, vermoeidheid en lichamelijke spanning.

Brein en lichaam zijn geen twee losse werelden

Binnen de stresswetenschap is veel aandacht voor de voortdurende communicatie tussen hersenen en lichaam.

Een belangrijk onderzoeksgebied daarbij is interoceptie: de manier waarop het zenuwstelsel signalen vanuit het eigen lichaam waarneemt en verwerkt. Denk aan ademhaling, hartslag en andere signalen uit het lichaam.

Die communicatie verloopt voortdurend in beide richtingen. De hersenen beïnvloeden lichamelijke processen, terwijl informatie uit het lichaam voortdurend door het zenuwstelsel wordt verwerkt.

Ook binnen onderzoek naar trauma en posttraumatische stress krijgt interoceptie steeds meer aandacht. Dat betekent niet dat iedere lichamelijke sensatie door trauma wordt veroorzaakt, maar wel dat de relatie tussen lichamelijke waarneming, emoties, stress en het zenuwstelsel een serieus wetenschappelijk onderzoeksgebied is.

Nieuwe, ernstige of onverklaarde lichamelijke klachten kunnen uiteraard uiteenlopende medische oorzaken hebben en verdienen passende diagnostiek.

Wel maakt de wisselwerking tussen brein en lichaam duidelijk waarom het bij langdurige spanningsklachten soms te beperkt is om beide volledig los van elkaar te bekijken.

Waarom krijgt de psoas zoveel aandacht?

De psoas major is een diepe spier die vanuit de lumbale wervelkolom naar het bovenbeen loopt. Samen met de iliacus vormt hij de iliopsoas.

Deze spiergroep speelt onder meer een belangrijke rol bij beweging van de heup en bij functies rond heup, bekken en lage rug.

De psoas functioneert daarbij niet op een eiland. Hij bevindt zich in een anatomisch complex gebied en heeft relaties met onder andere de iliacus, quadratus lumborum, het diafragma en omliggende fasciale structuren.

Fascia is bindweefsel dat spieren en andere structuren omgeeft en anatomische verbindingen vormt. Het speelt onder meer een rol bij mechanische krachtoverdracht.

Door die anatomische samenhang kan het bij onderzoek en behandeling relevant zijn om naast de psoas ook omliggende spieren, fasciale structuren en bewegingspatronen te beoordelen.

Online wordt echter regelmatig nog een stap verder gegaan. De psoas wordt bijvoorbeeld de ‘spier van de ziel’ genoemd en wordt sterk in verband gebracht met fight-or-flight en trauma.

Daar wordt het wetenschappelijk ingewikkelder.

Kan trauma in de psoas worden opgeslagen?

Voor de stelling dat traumatische herinneringen letterlijk in de psoas worden opgeslagen bestaat momenteel geen overtuigend wetenschappelijk bewijs. Op basis van de huidige kennis kan daarom niet worden vastgesteld dat de psoas zelf als opslagplaats voor traumatische herinneringen functioneert.

Wat wél onderzocht wordt, is hoe trauma samenhangt met onder meer stressregulatie, lichaamswaarneming en interoceptie.

Ook bestaat onderzoek naar lichaams- en bewegingsgerichte interventies bij mensen met posttraumatische stress. Daaruit komen interessante resultaten naar voren, maar onderzoeken verschillen sterk in interventie en kwaliteit. Zulke bevindingen kunnen daarom niet worden vertaald naar de conclusie dat specifiek psoaswerk trauma behandelt.

Tegelijkertijd worden binnen lichaamsgerichte behandelpraktijken ervaringen waargenomen waarvoor niet altijd direct een volledige verklaring beschikbaar is.

Dat spanningsveld tussen onderzoek en praktijk is interessant.

Wat jarenlange psoaservaring in de praktijk laat zien

Mervin Verboekend, lichaamsgericht therapeut bij Praktijk De Gezonde Zorg in Lommel, heeft zich binnen zijn lichaamsgerichte werk intensief toegelegd op de psoas en langdurige lichamelijke spanningspatronen.

Naar eigen schatting heeft hij inmiddels ruim 1.500 psoasgerichte sessies uitgevoerd. Die omvangrijke praktijkervaring heeft hem vooral een groot aantal terugkerende observaties opgeleverd over spanning, ontspanning, ademhaling, lichaamswaarneming en de uiteenlopende reacties die tijdens psoasgericht lichaamswerk kunnen ontstaan.

Dat de psoas binnen Verboekends werk zoveel aandacht krijgt, betekent niet dat wetenschappelijk is vastgesteld dat deze spier een unieke positie inneemt bij trauma. Het is vooral het lichaamsgebied waarin hij door jarenlange gerichte behandeling veel praktijkervaring heeft opgebouwd.

Daarbij ziet hij verschijnselen die hem blijven interesseren.

Tijdens lichaamswerk rond de psoas komen bij sommige cliënten bijvoorbeeld onverwacht emoties of herinneringen naar boven. Soms vertellen mensen dat een oude gebeurtenis plotseling weer in gedachten verschijnt. Een deel beschrijft daarbij dat ze die herinnering op dat moment anders ervaren of beter kunnen ordenen, soms zonder dezelfde sterke emotionele lading die ze ermee associëren.

Dat zijn ervaringen van cliënten en observaties uit een behandelpraktijk.

Ze bewijzen niet dat de herinnering daarvoor letterlijk in de psoas was opgeslagen.

“Ik zie te vaak dat tijdens lichaamswerk emoties of herinneringen naar boven komen om die ervaring zomaar weg te zetten. Maar ik kan daar niet uit concluderen dat die herinnering letterlijk in de psoas zat. We weten simpelweg nog niet precies wat daar gebeurt.”

Wanneer tijdens een sessie een herinnering opkomt, behandelt Verboekend die daarom niet automatisch als bewijs voor een verdrongen gebeurtenis of als aanwijzing dat die herinnering in het behandelde weefsel opgeslagen lag.

Hij werkt met wat zich op dat moment lichamelijk en emotioneel aandient, zonder vooraf te bepalen welke herinnering of emotie bij een bepaalde spier zou moeten horen.

Juist dat onderscheid is belangrijk: een praktijkervaring serieus nemen is iets anders dan er een biologisch mechanisme aan toeschrijven dat nog niet is aangetoond.

Het zenuwstelsel staat binnen zijn benadering centraal

Waar Verboekend duidelijker over is, is de centrale plaats van het zenuwstelsel binnen zijn manier van kijken.

Het zenuwstelsel is voortdurend betrokken bij de aansturing en regulatie van het lichaam, waaronder beweging en spierspanning.

Wanneer iemand langdurig verhoogde alertheid en spanning ervaart, kijkt Verboekend daarom niet alleen naar de plek waar een klacht wordt gevoeld.

Hij kijkt naar het bredere patroon waarin stressrespons, ademhaling, spierspanning, beweging en fysieke belasting, herstel, gedrag en lichaamswaarneming elkaar kunnen beïnvloeden.

Ook de toestand van omliggende weefsels en fascia kan binnen het manuele gedeelte van zijn werk worden meegenomen.

De psoas krijgt daarin veel aandacht, maar niet omdat één spier volgens hem alle klachten veroorzaakt.

“Ik kijk niet naar de psoas als een losse spier die toevallig gespannen is. Mijn eerste vraag is waarom het lichaam die spanning blijkbaar nodig denkt te hebben.”

Daarmee verschuift de aandacht van alleen waar zit de spanning? naar een bredere vraag: welke factoren kunnen eraan bijdragen dat dit spanningspatroon ontstaat of blijft terugkeren?

Dat kan lichamelijke belasting zijn, maar bijvoorbeeld ook herstel, ademhaling, beweging, langdurige stress of gedrag.

Een diepe psoasbehandeling begint meestal niet bij de psoas

Dat klinkt tegenstrijdig, maar vormt een belangrijk uitgangspunt binnen Verboekends werkwijze.

Voordat hij rechtstreeks diep op het psoasgebied werkt, probeert hij meestal eerst de algemene lichamelijke spanning te verminderen. Ademwerk kan daarvan onderdeel zijn.

Vervolgens beoordeelt hij hoeveel direct lichaamswerk op dat moment passend is.

Daarbij hanteert hij een eenvoudige regel:

Harder drukken is niet beter.

De psoas ligt diep in het lichaam. Dat betekent volgens Verboekend niet dat een behandelaar daar zo snel en stevig mogelijk naartoe moet.

Wanneer iemand zich sterk aanspant tegen een behandeling, kan steeds harder werken juist haaks staan op wat hij probeert te bereiken. Comfort, ademhaling en de reactie van de cliënt blijven daarom leidend.

Verboekend bouwt het lichaamswerk geleidelijk op en kan het psoasgebied vanuit verschillende richtingen benaderen.

Ook wanneer de psoas rechtstreeks wordt behandeld, kijkt hij niet uitsluitend naar die ene spier. De iliacus en quadratus lumborum kunnen bijvoorbeeld worden meegenomen. Door de anatomische samenhang kan het daarnaast relevant zijn om omliggende fasciale structuren, bewegingspatronen en andere gebieden in het lichaam te beoordelen.

Zo wordt psoaswerk geen geïsoleerde techniek, maar onderdeel van een bredere lichaamsgerichte benadering.

Soms is juist níét diep werken de betere keuze

Niet iedere cliënt die voor psoaswerk komt, wordt onmiddellijk diep behandeld.

Sommige mensen hebben moeite lichamelijke sensaties duidelijk waar te nemen. Bij anderen blijft het gebied sterk aangespannen of beoordeelt Verboekend diep werk op dat moment als niet passend.

Dan kan hij eerst oppervlakkiger of elders in het lichaam werken en aandacht besteden aan algemene ontspanning, ademhaling en lichaamsbewustzijn.

Soms zijn meerdere sessies nodig voordat dieper lichaamswerk passend wordt.

Dat beschouwt hij niet als een mislukte behandeling. Het is juist onderdeel van zijn afweging als behandelaar.

Dieper kunnen werken is niet hetzelfde als beter behandelen. Het juiste moment herkennen is minstens zo belangrijk.

Daar zit een belangrijk verschil tussen het uitvoeren van een techniek en lichaamsgericht behandelen: niet wat technisch mogelijk is, maar wat op dat moment passend is voor de persoon op de behandeltafel staat centraal.

Wat ervaren mensen tijdens en na het lichaamswerk?

Ervaringen verschillen sterk per persoon.

Verboekend ziet cliënten tijdens lichaamswerk regelmatig verder ontspannen. De ademhaling kan veranderen en soms ontstaat er een emotionele reactie.

Een andere ervaring hoort hij geregeld wanneer cliënten na de sessie weer gaan staan.

Mensen beschrijven dan bijvoorbeeld dat staan minder inspanning lijkt te kosten, dat ze hun voeten duidelijker op de grond voelen of dat ze een sterke innerlijke rust ervaren.

Dat zijn persoonlijke ervaringen en klinische observaties.

Ze bewijzen niet dat de psoas de oorspronkelijke oorzaak van een klacht was. Evenmin bewijzen ze dat het autonome zenuwstelsel door de behandeling is ‘gereset’.

Onderzoek naar manuele therapie laat wel zien dat sommige technieken op korte termijn samen kunnen gaan met veranderingen in fysiologische parameters die met autonome regulatie verband houden. De bevindingen verschillen echter per techniek en onderzoek, en de klinische betekenis daarvan is nog niet voldoende duidelijk.

Specifiek voor psoas release kunnen daaruit geen harde conclusies worden getrokken.

Terugkerende praktijkervaringen kunnen wél aanleiding geven tot interessante onderzoeksvragen over de mogelijke wisselwerking tussen aanraking, spierspanning, ademhaling, lichaamswaarneming, emotionele ervaring en het zenuwstelsel.

De psoas is nooit het hele verhaal

Een van de risico’s bij iedere gespecialiseerde behandelvorm is tunnelvisie.

Wie veel met de rug werkt, kan overal een rugprobleem gaan zien. Wie zich verdiept in fascia, kan alles vanuit fascia proberen te verklaren. En wie veel met het zenuwstelsel werkt, kan uiteindelijk bijna iedere klacht aan ‘dysregulatie’ toeschrijven.

Verboekend probeert dat juist te vermijden.

Het zenuwstelsel speelt binnen zijn benadering een belangrijke rol, maar functioneert niet los van het bewegingsapparaat, lichamelijke belasting, herstel, gedrag, omgeving en andere biologische en psychologische factoren.

Hij gebruikt tegenover cliënten regelmatig de vergelijking met het dashboard van een auto.

“Als er een waarschuwingslampje gaat branden, moet je dat serieus nemen. Maar alleen naar het lampje kijken vertelt je nog niet waarom het aangaat.”

Bij lichamelijke klachten betekent dat in de eerste plaats dat mogelijke medische oorzaken waar nodig onderzocht of behandeld moeten worden.

Daarnaast kunnen andere vragen relevant worden.

Wanneer neemt de spanning toe? Hoe beweegt iemand? Hoe wordt het lichaam belast? Hoeveel herstel is er? Hoe is de ademhaling? Wat gebeurt er tijdens perioden van druk? Worden grenzen voortdurend overschreden? Welke gedragspatronen keren steeds terug? En merkt iemand de eerste signalen van oplopende spanning eigenlijk nog op?

Het lichaam wordt daarmee geen alternatieve diagnostische machine, maar een bron van informatie die naast andere informatie kan worden gelegd.

Niet alleen behandelen, maar ook leren begrijpen

Daarom bestaat lichaamsgerichte therapie bij Verboekend niet uitsluitend uit manuele behandeling.

Een belangrijk onderdeel is uitleg.

Mechanismen rond stress, fight-or-flight en lichamelijke reacties probeert hij in begrijpelijke taal uit te leggen. Het doel daarvan is niet om iedere klacht psychologisch te verklaren, maar om mensen hun eigen patronen beter te laten herkennen.

Wie pas merkt dat de belasting te hoog is wanneer het lichaam volledig vastloopt, heeft weinig gelegenheid om eerder bij te sturen.

Wie signalen eerder leert herkennen, krijgt mogelijk meer keuzemomenten.

Dat kan bijvoorbeeld betekenen anders omgaan met belasting en herstel, bewegen, de ademhaling gebruiken, grenzen eerder herkennen of gedragspatronen veranderen.

De behandeling richt zich daarmee niet alleen op wat er tijdens een sessie onder de handen van een behandelaar gebeurt, maar ook op wat iemand buiten de behandelkamer zelf leert herkennen en beïnvloeden.

Wat kan de wetenschap hier wel en niet over zeggen?

Daar blijft een duidelijke grens noodzakelijk.

De invloed van langdurige stress op verschillende fysiologische systemen is uitgebreid onderzocht. Ook de voortdurende communicatie tussen hersenen en lichaam en de rol van interoceptie zijn serieuze wetenschappelijke onderzoeksgebieden.

De anatomie en biomechanische functies van de iliopsoas en zijn fasciale relaties zijn eveneens goed beschreven.

Er bestaat bovendien onderzoek naar lichaams- en bewegingsgerichte interventies bij posttraumatische stress. Gemiddeld worden daarin positieve effecten gevonden, maar de verschillen tussen studies zijn groot. Daaruit kan dus niet worden geconcludeerd dat specifiek psoaswerk trauma behandelt.

Ook onderzoek naar manuele therapie laat mogelijke kortdurende neurofysiologische en autonome veranderingen zien, maar die effecten zijn niet uniform en hun klinische betekenis is nog onzeker.

Daarom zijn uitspraken als ‘psoas release reset het zenuwstelsel’, ‘trauma zit bewezen opgeslagen in de psoas’ of ‘door de spier los te maken wordt trauma verwijderd’ op dit moment wetenschappelijk niet te onderbouwen.

Dat maakt praktijkobservaties niet waardeloos.

Het bepaalt alleen hoe we erover moeten spreken.

Tussen wat we weten en wat we waarnemen

Juist daar bevindt zich een interessant gebied voor lichaamsgerichte therapie.

Aan de ene kant staat wat anatomie, neurowetenschap en stressonderzoek inmiddels kunnen onderbouwen.

Aan de andere kant staan verschijnselen die cliënten en behandelaars in de praktijk waarnemen en waarvoor niet altijd een volledige verklaring beschikbaar is.

Die twee werelden hoeven elkaar niet uit te sluiten.

Een behandelaar hoeft niet te doen alsof iedere praktijkervaring wetenschappelijk bewezen is. Maar een terugkerende observatie kan wel aanleiding zijn om beter te kijken, betere vragen te stellen en uiteindelijk onderzoek te doen.

Voor Verboekend zijn zijn jarenlange praktijkervaring en de terugkerende observaties vooral aanleiding om nauwkeurig te blijven kijken.

Wat gebeurt er met de ademhaling? Waar en wanneer ontstaat spanning? Hoe beweegt en belast iemand het lichaam? Wat verandert er wanneer iemand verder ontspant? Wat gebeurt er met de lichaamswaarneming? Wat dient zich emotioneel aan? En wanneer is juist géén diep lichaamswerk aangewezen?

Niet op iedere vraag bestaat al een sluitend antwoord.

Misschien is juist het kunnen onderscheiden van wat je weet, wat je waarneemt en wat je nog niet weet een belangrijk onderdeel van vakmanschap.

De psoas kan daarin een belangrijk onderdeel van het verhaal zijn, maar nooit het hele verhaal.

5/5 - (1 stemmen)

Plaats een reactie